Een variant maken voor de POIT-transactie
De POIT-transactie stelt u in staat om gegevens te selecteren voor het genereren van IDocs. Om dit te automatiseren, moet u een variant maken die uw selectiecriteria opslaat.
Toegang tot transactie POIT: Voer POIT in de SAP-commandobalk in en druk op Enter.
Selectiecriteria invoeren: Het onderliggende programma voor POIT is meestal RCCLTRAN (of vergelijkbaar; dit kan variëren afhankelijk van uw SAP-versie en specifieke ontwikkelingen). Selecteer het juiste bericht/IDoc-type, dit zou LOIMSO01 moeten zijn voor voorraad. Voer de selectiecriteria in voor de voorraadgegevens die u wilt verzenden (bijv. specifieke vestigingen, materialen, voorraadtype, enz.). Het is cruciaal om ervoor te zorgen dat deze selecties alle noodzakelijke gegevens bevatten.
De variant opslaan: Klik na het invoeren van uw criteria op “Ga naar” (GoTo) in de menubalk, en vervolgens op Varianten > Opslaan als variant. Geef uw variant een betekenisvolle naam (bijv. ZLOMSO01_STOCK_MONDAY) en een beschrijving. Zorg ervoor dat u “Alleen voor achtergrondverwerking” aanvinkt indien nodig, en sla de geselecteerde waarden op.
De achtergrondjob inplannen
Zodra de variant is gemaakt, kunt u een achtergrondjob inplannen om de POIT-transactie uit te voeren met deze variant op de door u gewenste frequentie.
Toegang tot transactie SM36 (Jobplanning): Voer SM36 in de SAP-commandobalk in en druk op Enter.
De Job definiëren: Klik op de knop “Aanmaken” of “Job aanmaken”. Jobnaam: Geef het een duidelijke naam (bijv. Z_SEND_LOIMSO01_WEEKLY). Jobklasse: Selecteer de juiste klasse (bijv. C voor belangrijke jobs, of B voor minder kritieke jobs). Prioriteit: Pas aan indien nodig. Ontvanger spoollijst: Voer uw gebruiker of een gebruikersgroep in om de joblogs te ontvangen.
De Jobstap definiëren: Klik op “Stap” in de werkbalk. Klik op “Aanmaken”. Programmanaam: Voer het programma in dat bij POIT hoort, meestal RCCLTRAN. Variant: Voer de naam in van de variant die u in stap 1 hebt gemaakt (bijv. ZLOMSO01_STOCK_MONDAY). Klik op “Opslaan” voor de stap.
De startvoorwaarde definiëren: Klik op “Startvoorwaarde”. Selecteer “Datum/Tijd”. Geplande start: Voer een datum in de nabije toekomst in (bijv. aanstaande maandag als u aan het testen bent). Voer de gewenste tijd in: 02:00:00 AM. Periode: Klik op de knop “Periodewaarden”. Selecteer “Wekelijks”. Zorg ervoor dat de optie voor maandag is aangevinkt. Klik op “Opslaan” voor de periodewaarden. Klik op “Opslaan” voor de startvoorwaarde.
De Job opslaan en vrijgeven: Keer terug naar het hoofdmenu voor jobplanning. Klik auf “Opslaan”. Klik op “Vrijgeven” om de job te activeren. De status verandert van “Ingepland” naar “Vrijgegeven”.
ALE/IDoc-instellingen verifiëren (Bevestigingen)
Hoewel u aangaf dat de IDoc al is geconfigureerd, is het altijd een goed idee om te controleren of de ALE-instellingen correct zijn voor verzending.
Transactie WE20 (Partnerprofielen): Controleer het partnerprofiel voor het ontvangende systeem. Verifieer de uitgaande parameters voor berichttype LOIMSO01. Zorg ervoor dat de poort en het IDoc-basistype correct zijn. Controleer de optie voor de IDoc-overdrachtmodus (meestal “IDoc onmiddellijk overdragen” voor directe verzending na generatie, of “IDocs verzamelen” als een andere job ze moet pushen). In uw geval, als u onmiddellijke verzending wilt na generatie door POIT, zorg er dan voor dat deze optie is geselecteerd.
Transacties WE02 / WE05 (IDoc-weergave): Gebruik deze transacties om de gegenereerde en verzonden IDocs te controleren. Filter op berichttype LOIMSO01 en de verzenddatum/tijd.
Transacties WE02 / WE05 (IDoc-weergave): Gebruik deze transacties om de gegenereerde en verzonden IDocs te controleren. Filter op berichttype LOIMSO01 en de verzenddatum/tijd. Controleer de IDoc-status (bijv. 03 voor “IDoc doorgegeven aan poort”, 12 for “Verzending succesvol”).
Applicatielogs: Als u problemen ondervindt, controleer dan de relevante applicatielogs via systeemtransacties (bijv. SLG1 of ST22 voor dumps).